Topsport is ondernemen

In een volgepakt stadion Omnisport Bercy in Parijs was afgelopen weekend de absolute tafeltennistop bij het WK Tafeltennis te bewonderen. Voor Nederland nam alleen Li Jiao deel. Geen dames en heren uit de eigen opleiding. Waarom niet? Wat is het toch dat in de afgelopen vijftien jaar de uitgebreide bondsprogramma’s niet tot tafeltennissucces heeft geleid? Waarom komen sowieso veel sportsuccessen in Nederland uit privé-initiatieven en niet uit de bondstructuren?

‘We konden de structuur niet bieden aan jonge spelers ’, ‘De spelers hebben de professionaliteit niet die nodig is om de top te halen’, ‘ Er zijn geen professionele trainers in de verenigingen’ zijn enkele van de genoemde oorzaken van het achterblijven van resultaten binnen het mannentafeltennis. Soortgelijke verhalen kwam ik tegen in andere sporten, nadat NOC*NSF vorig jaar bekend had gemaakt welke sportprogramma’s niet meer konden rekenen op subsidie. Hoe terecht alle redenen ook zijn, ik probeer me voor te stellen hoe zo’n gesprek zou verlopen met een manager van een verliesgevend bedrijf: ‘We hebben de laatste 15 jaar flink geïnvesteerd en geen winst gemaakt, maar we zijn op de goede weg en met geduld zullen we hiermee succesvol zijn’.

In het gemak waarmee bonden wegkomen met analyses als bovenstaande ligt volgens mij de kern van het probleem. Bonden zijn veelal subsidiegedreven binnen topsport. Dat betekent goede plannen schrijven en aan het einde van de rit het verantwoorden van de besteedde middelen. Topsporters daarentegen zijn in essentie ondernemers. Alles draait om het resultaat. Geen resultaat is geen succes. Waarom lukt het bonden vaak zo moeilijk om met de beschikbaar gestelde middelen resultaten te boeken? Subsidies werken in de hand dat eerst een goede structuur gemaakt wordt. Vervolgens worden daar de best passende en beschikbare trainers en spelers bij gezocht. Terwijl het de individuen zijn, zeker in de individuele sporten, die het succes maken. Structuur dient dus die mensen te volgen om succesvol te zijn. Kwaliteit wordt tenslotte door mensen bepaald en niet door structuren. Een toptrainer moet de ruimte krijgen en volledige verantwoordelijkheid over zijn of haar groep. Bij het creëren van de beste omstandigheden om talenten te ondersteunen moeten reglementen van lang geleden of beleidsplannen niet in de weg staan. Dit vereist wel dat de verantwoordelijke binnen de bond kwaliteit kan signaleren én het aandurft om hiervoor te kiezen - en dus z’n eigen nek uit te steken.

Dit is natuurlijk heel lastig te rijmen binnen de vastgestelde subsidievoorwaarden en lange termijn strategie van bonden. Waarom zouden we voor één speler of trainer onze structuur veranderen? is dan de vraag vanuit de bond. Topspelers zijn vaak ook nog grillig, wat het nog lastiger maakt om hen te waarderen binnen bonden. Toch is er meer dan dat. Uit ondernemen komt heel veel positieve energie vrij. Haak daar als bonden bij aan, probeer het te kanaliseren en te bundelen met andere goede initiatieven, ga het vooral niet regisseren en overnemen. Accepteer dat de kern van bonden ambtelijk, politiek, diplomatiek en subsidiegedreven is. Bonden kunnen voor topsport een belangrijke ondersteuning zijn, maar vormen niet de basis. Daarvoor is onvoorwaardelijke ondernemingszin en geloof nodig. Mensen met talent en vooral veel nieuwsgierigheid en doorzettingsvermogen. Dan komt energie voort uit mensen zelf. De constante drive om beter te willen worden.

In de tafeltennissport hebben de Zweden bewezen dat het kan. In het land waar maar 15.000 geregistreerde tafeltennissers waren, bleek een kleine groep toppers in staat om wereldkampioen te worden en het machtige China achter zich te laten. Tijd om dat kunstje eens te herhalen.

Afbeeldingen: Nederland in de top 10