Top 10 ambitie: zijn Olympische medailles te koop?

Eind augustus werd het rapport ‘Nederland in de top 10, naar een winnend topsportklimaat’ gepresenteerd. In het kader van het Olympisch Plan 2028 is onderzocht hoe Nederland de ambitie om tot de top 10 topsportlanden ter wereld te behoren kan realiseren. Het gevolg? Veel aandacht in de media, enthousiasme uit de sportwereld (bijvoorbeeld Ton Boot en Richard Krajicek), maar ook sceptische reacties op de ambitie van sportbonden om in 2020 voor 82 Olympische medailles op de zomerspelen te gaan. Eigenlijk is het enorm zonde dat uiteindelijk alle aandacht uitgaat naar de 82 medailles, terwijl het rapport zo veel meer te bieden heeft. 

Het onderzoek uitgevoerd in opdracht van het NOC*NSF had als doel het huidige topsportklimaat in Nederland in beeld te krijgen en dit te spiegelen aan een internationale benchmark. Betrokken bij dit onderzoek waren de vijfentwintig grootste sportbonden en daarnaast een ‘panel top 10’ bestaande uit oud-sporters, oud-coaches, wetenschappers, vertegenwoordigers van de bonden en het bedrijfsleven. Zij kwamen tot de conclusie dat een topsportambitie gelegitimeerd kan worden als zijnde een bijdrage aan nationale trots, een bron van inspiratie voor de Nederlander en een aanjager voor een vitale, trotse, sportieve, daadkrachtige samenleving. De top 10 ambitie is met recht enorm ambitieus te noemen. Tot op heden is het tijdens de Olympische zomerspelen alleen in Sydney gelukt om in de top 10 van de medaillespiegel te geraken. Tijdens winterspelen behoren wij wel structureel tot de top 10 landen. Er is echter ook sprake van een paradox. Sinds Nederland actief beleid voert op het behalen van Olympische medailles, komen wij bij de medaillespiegels juist minder goed naar voren. Dit kan twee dingen betekenen: of wij voeren niet het juiste beleid, of andere landen zijn nog succesvoller binnen de huidige medaillerace.

Kritiek
Natuurlijk is er ook kritiek op de ambitie zoals verwoord door het NOC*NSF. Ten eerste lijken 82 medailles niet erg realistisch gezien de schamele 16 medailles, die overigens als een enorm succes werden gepresenteerd, in Beijing. Ten tweede is het zeer de vraag of de medaillespiegel wel de juiste manier is om topsportsucces te meten. Nederland werd afgelopen zomer tweede tijdens het WK-voetbal, wat ondanks het fel bekritiseerde spel tijdens de finale, zeker heeft bijgedragen aan trots en het Bruto Nationaal Geluk. Dit soort successen komen dankzij dit rapport echter aan de zijlijn te staan. Het is de vraag of er überhaupt in teamsporten geïnvesteerd moet worden, aangezien tijdens de Olympische Spelen bij teamsporten vaak enkel een heren en een damesmedaille te verdelen zijn. Verder is het zeer de vraag of elke medaille voor de inwoners van Nederland van gelijke waarde is, het is zelfs de vraag of de Olympische Spelen het enige juiste podium zijn om mee te nemen in de doelstelling.

Medaillespiegel
Om het succes tijdens Olympische Spelen te verklaren is het interessant om te kijken naar voorspellingen die zowel kenners als economen voor de Olympische spelen in de media publiceren. Al jaren zet het Amerikaanse tijdschrift Sports Illustrated een team van kenners in om medailles te voorspellen op basis van favorieten voor de verschillende onderdelen. Sinds enkele jaren zijn daar ook wetenschappers bijgekomen die op basis van econometrische modellen die rekening houden met de historische successen tijdens de Spelen, de bevolkingsomvang, het inkomen per hoofd, de resultaten van recente wereldkampioenschappen en thuisvoordeel van deelnemende landen proberen te voorspellen hoe goed een land gaat presteren. Tot en met de Spelen in Turijn waren deze modellen nog niet zo ver ontwikkeld, de inhoudelijke kenners van Sports Illustrated kwamen dichterbij het uiteindelijke resultaat. In Beijing voorspelden Kuper en Sterken echter ineens beter dan Sports Illustrated. Zou hun economische model zo goed aansluiten op de bepalende factoren in topsport?

Bij de laatste Olympische Spelen in Vancouver zijn de oude verhoudingen weer in ere hersteld. Wetenschappers Johnson en Kuper/Sterken konden met hun doorontwikkelde modellen niet beter doen dan de kenners (tabel 1). Sport blijkt nog steeds onvoorspelbaar en lastig te sturen. De top 10 positie van Nederland die goed voorspeld werd, weegt niet op tegen het tegenvallende Rusland en Italië. Ook zag Sports Illustrated het succes van Canada en Zuid-Korea beter aankomen. Sportcultuur, bevolkingsomvang en inkomen blijken belangrijke invloeden te zijn op sportsucces, maar zijn blijkbaar niet alles bepalend. Het sportbeleid speelt dus inderdaad een rol, deze zit namelijk nog niet verwerkt in het model van de economen.

image

Sportbeleid
Naast moeilijk beïnvloedbare macro-omgevingsvariabelen blijkt ook de kwaliteit van het topsportbeleid een belangrijke factor te zijn om sportsuccessen te behalen. De successen van thuislanden bij Olympische Spelen komen deels ook door topsportprogramma’s. Na het Gold Medal Plan (Sydney), Project 119 (Peking) blijkt nu ook het Canadese Own the Podium programma erg succesvol. Dit is niet alleen uit thuisvoordeel te verklaren. Australië scoort ook de spelen voor en na Sydney nog goed op de medaillespiegel. Topsportprestaties vragen blijkbaar gewoon om een investering. Tot op zekere hoogte zijn Olympische medailles te koop. Je moet alleen wel weten waar in geïnvesteerd moet worden. Vlaamse sportwetenschapper Veerle de Bosscher heeft een model ontwikkeld waarbij topsportbeleid geëvalueerd kan worden aan de hand van negen bouwstenen (tabel 2). Hierbij draait het niet alleen om de input in de topsport, zoals financiën, faciliteiten, sportdeelname, ontwikkeling coaches en onderzoek. Daarnaast speelt ook het proces een rol, zoals talentherkenning, ondersteuning van sporters de manier waarop dit allemaal georganiseerd is. Zij heeft het sportbeleid van verschillende landen met elkaar vergeleken, waar interessante zaken naar voren komen. Meer succesvolle landen tijdens de Spelen scoren hoog op de factoren financiële ondersteuning van nationale sportorganisaties, coaching voorzieningen, ondersteuning voor atleten en trainingsfaciliteiten hoog. Ook blijkt dat deze landen vrijwel op alle punten redelijk tot goed scoren. Dit onderzoek is nog in ontwikkeling, maar het wordt in ieder geval duidelijk dat de overheid beleidsmatig nog steeds een grote invloed heeft op topsportsuccessen.

image

Toekomst
Als Nederland wil scoren op topsportgebied zal de overheid hier een rol in moeten spelen. Om dit doel na te streven moeten we blijven zoeken naar succesfactoren voor topsport. Gezien de macro-omgevingsvariabelen die economen hanteren hebben wij de mogelijkheid om tot de toplanden ter wereld te behoren. Het sportbeleid mag hier echter niet bij achter blijven en het rapport van het NOC*NSF is een stap in de juiste richting. Wellicht dat de statistici de verschillende beleidsfactoren eens kunnen meenemen en kijken welke factoren bepalend zijn. Volgens berekeningen van Hans Westerbeek kost een Olympische medaille een kleine twee miljoen euro per jaar en dit wordt gezien de medaillewedloop alleen maar meer. Daarnaast is het wellicht raadzaam om gebruik te maken van andere ranglijsten dan de medaillespiegel van de Olympische Spelen, economen en sportwetenschappers hebben hier al uitstekende alternatieven voor ontwikkeld. Daarnaast moeten we gewoon accepteren dat winnen in de sport niet alleen een kwestie is van beleid. Juist het onvoorspelbare karakter van de sport, maakt sport zo’n interessant en populair maatschappelijk fenomeen.

Bronnen:
- Veerle de Bosscher e.a. (2009). A conceptual framework for analysing sports policy factors leading to international sporting success. European Sport Management Quarterly.
- Hans Westerbeek (2007). Sportbeleid in international vergelijkend perspectief.
- Elmer Sterken & Gerard Kuper (2010). Wie gaan er winnen in Vancouver. Economisch Statistische Berichten.